Chris F. van Fraassen | Bevelanders Met Bestemming Indië en Korea 1945 - 1953
Chris F. van Fraassen (1945) diende als dienstplichtig militair in Suriname en studeerde sociologie van niet-westerse volkeren in Leiden, waar hij zich specialiseerde in Indonesië. Na zijn afstuderen deed Van Fraassen historisch antropologisch onderzoek op Ternate, in de Noord- Molukken. Van 1997 tot 1993 was hij verbonden aam het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde in Leiden, waar hij secretaris was van de Stuurgroep voor de Tenuitvoerlegging van het Cultureel Akkoord met Indonesië. Voorafgaand aan dit boek schreef hij meerdere publicaties, waaronder in 2018: Ambon in het 19e Eeuwse Indië, Van Wingewest Tot Werfdepot.
Titel:
Auteur :
Uitgever :
Uitvoering :
Eerste Druk:
Pagina’s :
Prijs :
Bevelanders Met Bestemming
Indië en Korea 1945 – 1953 Chris F. van Fraassen Uitgeverij De Koperen Paperback November 2022 206 pagina’s Eur 24,95
De oorlogen in Indië en Korea kende ik als kind slechts uit verhalen. Van mijn oudoom Jan, die als bemanningslid van een Nederlandse onderzeeër, tijdens en in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in de Javazee voer, en daar naar eigen zeggen vaak angstaanjagende avonturen had beleefd. Voor mij spraken zijn verhalen tot de verbeelding en kennelijk gold dat ook voor mijn vader, die mij jaren later toevertrouwde dat hij vroeger jaloers was geweest op zijn oom. Zoiets had hij in 1945 ook niet willen missen. Onmiddellijk na de bevrijding van ons land had hij zich vol enthousiasme als vrijwilliger aangemeld om dienst te nemen in het koloniale leger dat, zo geloofden velen in ons land, korte metten zou maken met Soekarno die hier werd gezien als collaborateur van de ‘Jappen’. Groot was dan ook zijn teleurstelling, toen hij wegens ‘slechte ogen’ werd afgekeurd. Naarmate er meer bekend werd over de gruwelen van de oorlog, werd het mijn vader echter duidelijk dat hij zichzelf gelukkig mocht prijzen dat hij niet naar Indië was vertrokken.
Een buitengewoon gedegen onderzoek
Ik moest aan dit alles denken, toen ik de doorwrochte studie van de socioloog Chris van Fraassen las over de belevenissen van de Bevelandse militairen, die in die jaren in Indië en Korea vochten. Negentien van hen zouden het met de dood moeten bekopen. In vergelijking met de ruim 6200 dodelijke slachtoffers aan Nederlandse zijde is dit een uiterst gering aantal, maar dit betekent niet dat we ze mogen negeren. Integendeel, doordat Van Fraassen de brieven van de Bevelandse militairen nauwgezet bestudeert en uitgebreid citeert, krijgt de lezer een indruk van hun gevoelens, ervaringen en opvattingen en daardoor slaagt hij erin de soldaten tot leven te brengen.
En dit is slechts één van de sterke punten van het boek. Zoals gezegd, pakt de auteur zijn onderwerp grondig aan. Nadat hij eerst een beknopte beschrijving geeft van de geschiedenis van Nederlands-Indië en daarbij ingaat op het koloniale stelsel en het opkomend nationalisme, belandt hij al snel bij de dekolonisatie en de pogingen van de Nederlandse regering om de kolonie kost wat kost te behouden. Er viel daar immers na het Japanse intermezzo nog het nodige werk te verrichten. Met de leus ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ gaf de regering aan hoe belangrijk de kolonie was voor het moederland.
De werving van vrijwilligers vond reeds in november 1944 plaats, toen het zuiden van ons land was bevrijd. In de lokale pers verschenen advertenties waarin een beroep werd gedaan op het eergevoel en de trots:
Mannen van Nederland, toont nu dat gij weet wat uw plicht is!
Zeeuwen, handhaaft Uw eeuwenoude roemrijke traditie!
Vrouwen en meisjes van Zeeland, helpt ons door Uw man,
zoon of verloofde op te wekken deel te nemen aan het grootsche werk der bevrijding.
Voor Koningin en Vaderland!
Als vrijwilliger naar Indië
In januari 1945 konden gegadigden zich in Goes als oorlogsvrijwilliger aanmelden. Volgens dagblad De Stem was de animo dusdanig dat de autoriteiten overrompeld werden door de grote toestroom. Alvorens naar Indië te vertrekken, werden de vrijwilligers voor militaire training naar Engeland gebracht. In totaal hebben tussen zo’n 25.000 oorlogsvrijwilligers in Indonesië gediend, van wie ongeveer duizend man uit Zeeland afkomstig waren.
Uit de vele brieven die ze naar hun familie in Nederland stuurden, krijgen we een aardig beeld van de vermoeiende reis die ze naar Indonesië moesten afleggen, hun indrukken van de vreemde omgeving en, niet te vergeten, de houding van de lokale bevolking tegenover de Nederlanders en Indonesische vrijheidsstrijders. De in Kapelle geboren Bram Vermaire schreef in 1946 vanuit Java: De bevolking was eerst schuw, maar met wat eten is veel te bereiken, want de mensen hebben veel honger en zitten slecht in de kleren (…). Ze zijn bang van de Jappen, de benden extremisten en in ’t eerst van ons. (…). Er zijn bij ons ingedeeld Ambonezen. Wonderlijk zeg hoe die voor de vlag en de Koningin staan, Zeg daar maar niks van, want dan heb je zo ruzie. Ze zijn ook zeer fel, wat geen wonder is daar hun vrouwen en kinderen ook veel zijn vermoord. Ik weet zeker dat ook van de Javanen de grootste helft op onze hand is, maar ze zijn bang voor de pemoeda’s. In Soekarno en consorten stellen ze geen vertrouwen (…). Op ’t moment hoor ik weer druk schieten (…). Elk moment van de dag kun je wat verwachten. Altijd moet je klaar staan. Het is dan ook altijd spannend.
In de politici hadden de meeste soldaten bar weinig vertrouwen. Ze leefden van dag op dag en spraken elkaar voortdurend moed in, zoals blijkt uit de brief van Adriaan van Zweden: Geriefelijkheid kennen we hier weinig. Electrisch licht is er onvoldoende (…). Om 6 uur is het donker, dan hokken de jongens te zamen, er wordt een partijtje gekeuveld of gezongen bij een oude piano, gitaar of harmonica en de avond is weer voorbij (…). Als men de politiek bekijkt die tegenwoordig hier gevoerd wordt, de misstanden die hier heerschen enz., enz., dan krijgt soms het pessimisme wel eens de overhand. Gelukkig echter niet lang. Want we verstaan de kunst elkander op te beuren. En de volgende dag gaan we weer met evenveel moed op patrouille, het voorterrein in en schiet je met het grootste gemak weer een stel oproerlingen neer.
Naarmate de oorlog – door de regering eufemistisch ‘politionele actie’ genoemd – zich voortsleepte, werd de animo onder de Nederlanders om naar Indonesië te vertrekken minder. Sterker nog, in september 1946 vonden in Amsterdam zelfs grote anti-oorlogsdemonstraties plaats.
Weinig vertrouwen in de politici
De ‘grote’ politiek ging aan de meeste soldaten in het veld voorbij. Ze hadden er geen idee van dat het er in de loop van de tijd steeds meer naar ging uitzien dat de Nederlandse regering in het Verre Oosten een verloren strijd voerde. Hoe optimistisch klonk Jan Minnaard, die in december 1947 de burgemeester van ’s Gravenpolder schreef: Wij zijn blij dat ook wij hier onze steun kunnen bijdragen tot de wederopbouw van ons Indië. Want mochten er onder jullie nog zijn die geloven dat wij Indië niet meer terugkrijgen en dat al die offers voor niets zijn gebracht, kan ik jullie wel zeggen dat wij er stuk voor stuk anders over denken. Indië wordt weer van ons.
Van Ko de Visser horen we een ander geluid. Ook al was de tweede politionele actie in 1948 voor Nederland een militair succes, veel vertrouwen in een goede afloop had hij allerminst: De Amerikanen willen Soekarno vrij hebben. Maar als ze dat doen vraag ik me af: zitten wij dan hier voor Piet Snot. Zijn dan daarvoor zovele jongens gesneuveld. Ik ga er verder niet over praten want als je daar veel over piekert word je inderdaad gek. Het gaat er bij vele van onze jongens maar om of we nog eens een keertje naar huis mogen. Ik geloof niet dat ze het nog veel kan schelen of we Indië houden of kwijt zijn.
Een rijke bron van informatie
De vele brieven waaruit de auteur uitvoerig citeert, maken het boek tot een ware Fundgrube voor een ieder die geïnteresseerd is in het alledaagse leven van de Nederlandse soldaten die betrokken waren bij de onafhankelijkheidsstrijd. Het is geschiedenis van onderop, gezien door de ogen van degenen die daadwerkelijk bij de strijd waren betrokken. Als de toenmalige bewindslieden de verhalen van de mannen in het veld zouden hebben gelezen, moeten ze zich hebben gerealiseerd hoe groot de kloof was die er gaapte tussen de grote politiek in Den Haag en de praktijk van alledag. En dit zal zowel voor de oorlog in Indonesië als die in Korea hebben gegolden. Aan die laatste oorlog, die van 1950 tot 1953 onder de vlag van de Verenigde Naties werd gevochten, besteedt de auteur aan het einde van het boek eveneens aandacht, zij het uiterst summier. Ook in de Korea-oorlog hebben Bevelandse militairen gevochten.
Grenzen tussen goed en kwaad
Wat het boek met name voor mij zo interessant maakt, is dat uit de soldatenbrieven duidelijk blijkt hoezeer de grenzen tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in oorlogstijd verschuiven. Dat is nu zo, en in Indonesië was dat niet anders. Degenen die na de oorlog werden beschuldigd van oorlogsmisdaden en lange tijd als monsters golden, gedroegen zich onder normale omstandigheden als vredelievende burgers. Het werkelijke kwaad, om met Hannah Arendt te spreken, lag juist in de banaliteit ervan.
In een uitgebreid slothoofdstuk gaat Van Fraassen in op de beschuldigingen die tegen het optreden van het Nederlandse leger in de voormalige kolonie zijn ingebracht. Pas in 2022 heeft de Nederlandse regering toegegeven dat het leger zich in de guerrillaoorlog meermalen heeft schuldig gemaakt aan excessief geweld. Dit nieuws is echter weinig verrassend, zo stelt Van Fraassen, voor degenen die bekend waren met de oorlogsverhalen en moeite hebben gedaan om zich te verdiepen in het overvloedige archiefmateriaal. De auteur meent dat buitensporig geweld inherent was aan een asymmetrische oorlog, zoals een guerrillastrijd.
Hier raakt hij naar mijn mening een kritisch punt, waar het laatste woord nog niet over is gezegd. Dat de Nederlandse krijgsmacht als instituut verantwoordelijk was voor het geweld, is immers een vergaande abstractie en laat de vraag over het daderschap van de Nederlandse soldaten onbeantwoord. Het is dan ook jammer, dat ik in de uitgebreide literatuurlijst het reeds in 1992 verschenen Ordinary Men mis, het in 1992 verschenen en destijds opzienbarende boek van historicus Christopher Browning, die zich in zijn onderzoek naar oorlogsmisdaden in de Tweede Oorlog richtte op de zogenaamde grassroot killers: de mannen met de geweren in de hand, die de trekker overhaalden, de daders die oog in oog stonden met hun slachtoffers. Browning meent dat daderschapsonderzoek naar zulke personen belangrijk is, want zonder die kant van het verhaal vallen volgens hem oorlog of volkerenmoord niet te begrijpen. Het is te hopen dat in toekomstige studies vanuit dit perspectief naar het Nederlandse koloniale verleden wordt gekeken. Op dit moment is dat naar mijn weten nog slechts door één auteur grondig gedaan. Zo besteedt Anne-Lot Hoek in haar in 2021 verschenen boek ‘De strijd om Bali’ uitgebreid aandacht aan Goos Blok, die in 1947 als dienstplichtig militair bij de Militaire Inlichtingendienst te Bali terechtkwam en zich daar geregeld schuldig maakte aan vreselijke martelingen van Balinese vrijheidsstrijders. Fysieke dwang werd er niet op hem uitgeoefend. Hij martelde, zo getuigde hij, zonder op dat moment enig medelijden met het slachtoffer te hebben. Pas veel later, toen hij zich schuldig voelde, kreeg hij medelijden met het slachtoffer. Blok was beslist geen sadist, hij schakelde slechts zijn gevoelens uit. Het uitschakelen van empathie is een belangrijke reden waarom gewone mensen in specifieke omstandigheden daders kunnen worden en in staat zijn om meedogenloos moorden te plegen.
Net als Duitsland moet ook ons land met zijn geschiedenis in het reine zien te komen. Het boek van Hoek en vele reeds eerder verschenen publicaties in het buitenland (van Götz Aly, Christian Gerlach en Peter Longerich) kunnen daarbij als voorbeeld dienen. Dit soort onderzoeken zijn tenslotte van grote betekenis voor wat de Duitsers zo fraai ‘Vergangenheitsbewältigung’ noemen.
Conclusie
Deze kritiek doet overigens weinig af aan de kwaliteit van het werk. Van Fraassen heeft ons getrakteerd op een gedegen boekwerk, steunend op een indrukkende hoeveelheid literatuur en archivalia. Een ware aanwinst voor de geschiedschrijving over Zeeland én het voomalige Nederlands-Indië. En misschien nog belangrijker: de auteur geeft de Bevelandse soldaten een gezicht. Dat verdienen ze, het waren tenslotte mensen van vlees en bloed, net als u en ik.
Albert Kort, Vrije Gedachten, 13 maart 2026.
